Gevlekt blauwoogje
Pseudomugil gertrudae

Het gevlekte blauwoogje (Pseudomugil gertrudae) valt niet op door zijn formaat, maar door de blauwe ogen en de sierlijke, gestippelde vinnen van de mannetjes. In een rustige groep tonen de vissen veel meer van hun gedrag dan als los accent tussen grotere bewoners. Hun kleine bek en bescheiden manier van eten bepalen een belangrijk deel van de verzorging. Een aquarium kan er vol voer uitzien terwijl deze vissen te weinig binnenkrijgen. Wie een goed beplante bak, passende groepsruimte en fijne levende voeding kan bieden, krijgt een boeiende soort met dagelijkse balts en interessante mogelijkheden voor gerichte nakweek.
Aquarium samenstellen →In één oogopslag
- Temperatuur
- 25–28 °C
- pH
- 6,0–7,0
- GH
- 5–12 °dGH
- Aquariumlengte
- Vanaf 45 cm
- Volwassen formaat
- Ongeveer 3,8 cm
- Groepsgrootte
- Vanaf 10 dieren
- Gedrag
- Vreedzaam
Over deze soort
Pseudomugil gertrudae behoort tot de Pseudomugilidae, een familie van kleine blauwoogjes. Een bruikbaar herkenningskenmerk is de donkere stippeling in de ongepaarde vinnen. Volwassen mannetjes tonen uitgebreidere vinnen en meestal sterkere tekening dan vrouwtjes. De twee gescheiden rugvinnen en blauwe ogen horen bij het beeld, maar blauwe ogen alleen zijn geen betrouwbare soortbepaling.
De soort bereikt ongeveer 3,8 cm standaardlengte, gemeten zonder staartvin. Verschillende herkomstlijnen verschillen in kleur en vinvorm. De foto bij deze gids toont een als Aru II aangeduide lijn; dat is geen afzonderlijke soort en evenmin de enige normale verschijning. Houd de soort uit elkaar met andere blauwoogjes, waaronder Pseudomugil luminatus. Vraag bij aankoop om de wetenschappelijke naam en eventuele herkomstinformatie. Jonge dieren met nog korte vinnen kunnen minder opvallend zijn dan de volwassen mannetjes op een verkoopfoto.
Natuurlijke leefomgeving
De soort komt voor in delen van noordelijk Australië en Nieuw-Guinea; de naamgeving is verbonden met de Aru-eilanden. Ze leeft in verschillende zoetwatermilieus met beschutte, begroeide plekken. Tussen fijne vegetatie en hout vinden de kleine vissen dekking en voedsel. Een open, fel verlicht aquarium met een krachtige stromingsbaan biedt weinig van die mogelijkheden.
Voor een praktische inrichting is structuur belangrijker dan het exact kopiëren van één veldmeting. Natuurlijke waterwaarden veranderen met plaats en seizoen. Zeer ruime temperatuur- of pH-waarnemingen uit het verspreidingsgebied zijn geen aanbevolen dagelijkse verzorgingsband. Gebruik herkomstgegevens om de situatie beter te begrijpen, niet om extreme schommelingen goed te praten. Combineer beplante randen met open stukjes zwemruimte. Een donkere achtergrond kan het gedrag beter zichtbaar maken, maar vissen horen ook zonder voortdurend fel aanlichten veilig te kunnen schuilen en eten.
Aquarium en inrichting
Plan minimaal een bodemmaat van ongeveer 45 × 30 cm voor een eigen groep. De groepsrichtlijn is minstens tien dieren; die combinatie vraagt nog steeds een zorgvuldig ingerichte en niet overvolle bak. Meer medebewoners betekenen meer benodigde ruimte. Een vast minimumvolume berekenen we niet uit alleen de lengte, omdat breedte, inrichting en werkelijk beschikbare zwemruimte meewegen.
Gebruik fijne plantenstructuren en enkele beschaduwde zones, met vrije ruimte waar mannetjes kunnen pronken zonder andere dieren vast te zetten. Javamos op hout of steen biedt kleine doorgangen en kan afzetmateriaal vormen. Laat niet alles dichtgroeien: controleren of ieder dier eet moet mogelijk blijven. Een goed ingedraaid filter met een beschermde aanzuiging is belangrijk voor kleine vissen en eventuele jongen. Richt de uitstroom zo dat er rustige voerplekken blijven. Dek de bak zorgvuldig af en controleer openingen rond slangen. Veiligheid en toegankelijk onderhoud zijn belangrijker dan zoveel mogelijk decoratie in een kleine ruimte persen.
Waterwaarden
Voor deze gids hanteren we 25–28 °C, pH 6–7 en GH 5–12 °dH als voorzichtige praktische band voor de verzorging. Deze keuze ligt binnen de specialistische soortgegevens en sluit aan bij gedocumenteerde kweekomstandigheden. Het is geen bewezen optimum voor alle geografische lijnen. In veld- en kweekverslagen staan ook zachtere omstandigheden; verander water niet abrupt om één getal uit een tabel te halen.
Koop bij voorkeur vissen waarvan de recente waterwaarden bekend zijn en pas de overgang zorgvuldig aan. Meet waterkwaliteit wanneer eetlust, kleur of ademhaling verandert. Bij zo kleine vissen kunnen achteruitgang en voedseltekort gemakkelijk onopgemerkt blijven. Houd het aquarium biologisch stabiel en verwijder voerresten zonder dagelijks de volledige bodem overhoop te halen. Een plant die slecht groeit is geen reden om de vissen aan onnodige temperatuurschommelingen bloot te stellen. Stem planten, voerbelasting en onderhoud samen af in plaats van elk onderdeel afzonderlijk te optimaliseren.
Gedrag en groepsgrootte
Houd een eigen groep van minstens tien dieren zodat onderlinge aandacht niet steeds op één vis terechtkomt. Mannetjes spreiden hun vinnen tijdens balts en onderlinge vertoningen. Dat is interessant gedrag, maar langdurig najagen en een dier dat niet meer eet vragen om ingrijpen. Goede dekking en voldoende spreiding van voerplekken blijven ook bij een vreedzaam bekendstaande soort nodig.
De gekoppelde vuurtetra is alleen voorwaardelijk passend: de gezamenlijke band is 25–26 °C, pH 6–7 en GH 5–10. Beide soorten hebben hun eigen volledige groep nodig, en een kleine soortenbak biedt niet automatisch ruimte voor twee groepen. Beoordeel vooral voedselconcurrentie. Grote, snelle of vinnenbijtende vissen zijn geen logische keuze. Ook kleine garnalen zijn geen bewijs dat iedere jonge garnaal veilig is: deze vissen eten kleine dierlijke prooien. Kies voor een soortgerichte bak wanneer voortplanting en opgroei belangrijker zijn dan een gemengde bezetting.
Voeding
De natuurlijke voedselkeuze omvat zeer kleine kreeftachtigen en insectenlarven. Bied deeltjes die werkelijk in de kleine bek passen. Verbrokkeld volledig voer kan onderdeel van het menu zijn, maar droogvoer alleen is geen goede basis voor deze verzorging. Een gedocumenteerde kwekerservaring adviseert regelmatig levend voedsel; fijne levende voeding moet daarom praktisch beschikbaar zijn voordat de vissen worden aangeschaft.
Observeer of voedsel wordt ingeslikt of weer uitgespuugd. Laat geschikte kleine porties over rustige plekken verspreiden en controleer ook terughoudende vrouwtjes. De gekoppelde Supervit-vlok moet fijn verkruimeld worden en blijft onderdeel van een gevarieerd menu, niet de enige voeding. Gedroogde Daphnia is aanvullend en vervangt de levende component niet; grotere delen zijn mogelijk ongeschikt. Bij twijfel over de deeltjesgrootte kiest u fijner passend voer. Meer strooien lost een te grote korrel niet op en kan juist de waterkwaliteit verslechteren.
Kweek
Mannetjes lokken vrouwtjes naar fijne vegetatie of ander geschikt afzetmateriaal. De eieren hechten zich daaraan; de ouders verzorgen het legsel niet. Wie jongen gericht wil grootbrengen, kan een afzonderlijke kweek- en opgroeiopstelling gebruiken zodat eieren en larven niet tussen voedselzoekende volwassen vissen verdwijnen. Bereid geschikt eerste voer en een veilige filteraanzuiging ruim van tevoren voor.
Bronnen noemen uiteenlopende uitkomsttijden: ongeveer tien dagen in een beschreven kweek, tegenover twee tot drie weken in het institutionele soortoverzicht. Temperatuur en omstandigheden spelen mee; beoordeel ontwikkeling en schimmelvorming in plaats van eieren automatisch op een vaste dag op te geven. Pas uitgekomen jongen hebben heel fijne bereikbare voeding nodig. Grotere Artemia-naupliën komen pas in beeld wanneer opname zichtbaar lukt. Houd kleine porties en waterkwaliteit in balans. Bewaar de lijninformatie bij nakweek en meng gelijkende blauwoogjes niet zonder betrouwbare identificatie.
Bronnen & controle
Deze verzorgingsgids is samengesteld op basis van meerdere gespecialiseerde bronnen en is voor het laatst gecontroleerd op .





